Zomaar een middag in Parijs

Een van mijn voornemens voor dit jaar was om genoeg te slapen. Een ander om goed te eten. Dit klinkt vrij banaal, want welk westers mens lukt het niet om zich ondanks alle welvaart in de meest elementaire zaken te voorzien? Mij dus niet per sé. En o, ik wilde ook minder stress. Maar dat is dan weer wel geheel in lijn met de westerse welvaartsproblemen.

Enfin. Het gebeurt zo maar eens dat ik me op een donderdagochtend ontwaak met een te korte nacht achter de rug. De nacht ervoor is niet veel beter geweest, en ook het avondeten is er recentelijk een beetje bij ingeschoten. Precies zoals ik het niet wilde. Daarbij moet ik ook nog eens administratiefs regelen, wat nooit echt goed voor de gemoederen is.

Pont Alexandre III

Maar de oplossing is nabij: ik heb een middagje vrij genomen voor mijn administratieve taakje. Na dat taakje is het mijn voornemen goede boodschappen doen, onder andere bij de visboer waar ik al maanden watertandend langs loop, om na het genieten van een genoegzame maaltijd een heerlijk tukje te doen, opdat ik weer fris ben voor de avond.

Dit vooruitzicht stemt me dusdanig tevreden dat ik besluit mijn nieuwe schoentjes aan te trekken. Aan het eind van de soldes vond ik het blijkbaar nodig om net even iets in het rood te zakken om mezelf van lakleren camel enkellaarsjes met strikje te voorzien. Ze glimmen zo mooi aan mijn voeten, en ik hoef ze alleen de ochtend te dragen – een ideale schoeneninloopdag, dus.

Eenmaal op kantoor rond ik rond het middaguur mijn taakjes af terwijl ik een pakje madeleines uit de automaat eet. Met mijn dossier vertrek ik naar de Préfecture. Wat de Préfecture heel precies is weet ik niet; ze doen in ieder geval iets met immigratie en rijbewijzen en daar heb ik mee van doen. Het zal vast niet heel leuk zijn, maar volgens een collega zijn ze in elk geval efficiënt.

Het gebouw van de Préfecture bevindt zich in een uithoek van Parijs, aan het noordeinde van metrolijn 4. Dat is wat veel mensen “een niet zo goede buurt” vinden. Het weer is grauw ten tijde van mijn bezoek, en het tafereel kleurt er toegegeven wel bij. Je ziet precies waar de Parijse gebouwen ophouden en goedkope grijze flats beginnen. (Dit laatste heet ook wel de banlieue.) Met mijn strikschoentjes steek ik wat blij af bij de omgeving, maar dat doet er niet toe want ik loop met grote stappen en slechts een kleine omweg naar het gebouw van bestemming.

De Préfecture is een wirwar van gangen en loketten, en na twee doorverwijzingen ben ik bij de juiste. Ik leg mijn dossier neer bij de balie. Een flinke vrouw bladert door mijn papieren: ‘De vertaling van uw rijbewijs ontbreekt.’ ‘Nee hoor’, zeg ik ‘dat is deze hier’. ‘Nee’, zegt de mevrouw, ‘dat is een vertaling van de verklaring van uw rijbewijs. Maar niet van uw rijbewijs’. ‘Maar’, probeer ik, ‘in die verklaring staat precies wat er in het rijbewijs staat’. Dat vindt ze geen goed argument en ze wijst me naar een lijst aan de muur waar ik een gecertificeerde vertaler kan opzoeken.

Net boven de vertalers voor het Oerdoe zie ik drie telefoonnummers van Nederlandse vertaalsters. Ik bel er eentje en wonderlijk genoeg kan ik er meteen langs. Dus is mijn vrije middagje toch nog nuttig! En met een beetje mazzel kan ik daarna weer terug naar de Préfecture en is alles geregeld.

De vertaalster woont aan het uiteinde van een andere metrolijn. Als ik uitstap in het 16e arrondissement bedenk ik me dat er binnen Parijs geen groter contrast is. En ook in deze wijk match ik maar matig. Het zijn niet eens zozeer de lange, statige jassen waarmee de dames hier over straat schrijden (mannen zijn er nauwelijks, want die werken natuurlijk) die intimideren. Nee, het is hun blik. Deze mensen wonen in het chicste puntje van Parijs, daar waar het volk hen met rust laat en zij ongehinderd onder de hunnen zijn. En aangezien Parijzenaars en Fransen sowieso al het chicste volk ter wereld zijn, zijn zij daar logischerwijs ook weer de chicste van. De allerchisten, dus. En dit stralen ze uit met een vanzelfsprekendheid waardoor je, als je ze aan moet spreken, meteen wild op zoek gaat naar je beste beleefdheidsformules.

Ik geef mijn rijbewijs af aan de vertaalster, die daarmee in een halfuur tijd vijftig euro mee gaat verdienen. Inmiddels rammel ik van de honger. Volgens mijn oorspronkelijke plan zou ik nu thuis heerlijke vis eten. Maar er zijn twee bistrots om de hoek, verzekert de vertaalster mij, waar ik mijn honger kan stillen.

De eerste loop ik voorbij, want die ziet er leeg uit. In de tweede zitten wel mensen, maar als ik binnenkom zijn ze stoelen op elkaar aan het stapelen. Als ik vraag of ze er iets te eten hebben (toch een redelijke vraag, me dunkt) antwoordt men ‘Nee, sorry, we veranderen vandaag van eigenaar en alles is op.’ Mijn moeie en hongerige brein vraagt niet verder en zonder specifieke gedachten waggel ik terug naar de overkant, naar de lege bistrot. Maar die is natuurlijk leeg omdat ie òòk van eigenaar verwisselde die middag. Heel curieus. De eigenaar (of juist niet-meer-eigenaar?) verwijst me naar een bakker/theesalon waar ik een snelle goede hap zou kunnen eten. Tijd wil ik immers niet verspillen, want de Préfecture sluit immers al om 16:30 uur!

Die bakker lijkt eindeloos ver, maar eenmaal aangekomen bestel ik “het snelste wat er is”, een sandwich kip tandoori zo blijkt, en kan ik even rustig zitten. Mijn wallen voelen als enorme brandende gezwellen; mijn sandwich is te klein voor mijn honger en ik voel me veel te groot voor het priegelige stoeltje waar ik op zit. De mevrouw die schuin tegenover mij zit is daarentegen in volledige harmonie met de omgeving: frêle, petite en keurig. Het kopje thee in haar gemanicuurde handje, de quiche en de fijne blaadjes krulsla, het porseleinen bordje, het klopt allemaal.

De mevrouw in kwestie is bezig een uitgebreid commentaar te geven op de manier waarop haar dochter gekleed gaat, die tegenover haar zit: ‘Die trui heb je uitstekend uitgekozen, héél goed. Je kunt die dragen met iets wits, maar dan een heel luchtige stofje…’ De beschrijving der uiterlijkheden gaat verder, ik verzink in gedachten als ze opeens tegen me zegt ‘Wat heeft u uitzonderlijk leuke schoenen aan!’

‘Bedankt’ zeg ik, enigszins verwilderd. ‘Héél schattig’, vindt ze. Haar dochter wilde weten waar ik ze heb gekocht, en voor dat ik het weet zijn we aan het babbelen. Als ze me vraagt wat mij in Parijs brengt, en wat mij als duidelijk geen local in deze wijk brengt leg ik alles uit: Dat ik mijn verlopen Nederlandse rijbewijs niet in Nederland kan aanvragen, omdat ik daar niet meer woon. Dat de EU het gelukkig mogelijk maakt dat ik in mijn woonland recht heb op een rijbewijs. Maar dat de pech is dat mijn woonland, Frankrijk dus, stipuleert dat het oude rijbewijs nog absoluut geldig moet zijn. En dus bevind ik me in een bureaucratisch gat.

De mevrouw moet hartelijk lachen: ‘Un trou bureaucratique ! Dat heeft u mooi omschreven!’ Frappant hoe iemands mimiek zo plots kan veranderen. Na mijn oordeel van een minuut geleden vind ik haar nu opeens echt een aardige vrouw. We praten verder, over mijn wijk, waar zich blijkbaar een buitengewoon goed Grieks restaurant bevindt. Hiermee wijst ze op het enige restaurant in mijn gemoedelijke buurtje dat een parkeerservice heeft en waarbij de mogelijkheid om daar te gaan éten simpelweg niet in me was opgekomen. ‘Schat’, zegt ze tegen haar dochter, ‘hoe heet dat restaurant ook al weer, hè.. ik ben het vergeten!’ ‘O, bedankt, dat is heel vriendelijk’ antwoord ik, ‘maar denk dat ik weet welke u bedoelt, ik zal het zeker eens proberen.’ En ik verontschuldig me want ik ben alweer laat voor het ophalen van mijn vertaling. Ze geeft me een hand, ik geef haar dochter een hand en we bedanken elkaar voor het leuke gesprekje.

Werkelijk leuk dat ze zomaar een gesprekje aanknoopte op deze gekke middag, denk ik terwijl ik me haast om weg te gaan. De caissière wuift me een vriendelijk ‘Au revoir, mademoiselle !’ (is het personeel opeens vriendelijker nu ik een praatje met de locals heb gemaakt of verbeeld ik me dat?) en op mijn laarsjes spoed ik terug naar de vertaalster.

De vertaling in mijn hand, is het 15:58 uur. De reis terug naar de Préfecture duurt precies een halfuur, heb ik gemeten. En dan besef ik: ik ben geheel vergeten voor mijn baguette met kip tandoori te betalen! Voor het eerst in mijn leven, denk ik, ben ik zonder schaamte na een maaltijd weggelopen. En het was zo makkelijk! Niemand die gek op keek! Maar ik moet natuurlijk terug. De Préfecture kan ik dan wel vergeten. Ik zou rustig kunnen teruglopen, me verontschuldigen en wie weet nog het abrupt afgebroken praatje met de moeder en dochter kunnen afmaken, die wellicht vreemd zouden opkijken, maar me nu misschien wel voor dievegge uitmaken.

Echter, ik heb vrijgenomen voor dat verdomde rijbewijs. En met die daarvoor speciaal bestemde schaarse vrije uren moet dat dossier naar de Préfecture, anders kan ik niet rusten. Ik ga niet nòg een middag vrijnemen voor die sacré Préfecture, mooi niet.

To hell dus met de onbetaalde sandwich tandoori, het was toch maar een sandwich, met een gratis glas water. Ik duik de metro weer in en probeer met mijn app te berekenen of ik net voor of na sluitingstijd bij de Préfecture aankom. Dat is lastig, want in de metro is er bijna geen internet en elke keer als het er is zijn we weer een paar haltes verder waardoor ik het opnieuw moet berekenen. Ik vul het formulier voor mijn aanvraag alvast in.

Om 16:28 uur stap ik uit, ren ik de kortste weg naar de Préfecture, leg hijgend mijn tas op de band voor de beveiligingsscanner, ga direct naar het juiste loket waar de mevrouw achter de balie me verdacht aankijkt: ‘Was u hier niet ook al vanochtend?’ ‘Jahaa, en toen ontbrak de vertaling! En die heb ik nu!’ hijg ik, trots. Ze kijkt me verbijsterd aan en slaakt een kreetje uit. ‘Nou eh, dat dossier was verder goed, toch? Hier heeft u een nummer, u kunt daar gaan zitten wachten.’ Ik voel me een heldin.

De Préfecture is inderdaad efficiënt. Ik wordt binnen no time geroepen bij een loket, waar een ambtenaar met een reuzevlek op zijn overhemd me ontvangt. Ik geef hem al mijn documenten, inclusief het formulier. Door de hobbels van de metro lijkt het alsof ie is ingevuld door een analfabeet. Ik zou het niet serieus nemen, maar dat doet de ambtenaar gelukkig wel. Totdat hij bij het doorbladeren van een ander document uitroept: ‘Wat een sukkels zitten er ook bij het Nederlandse consulaat!’ Ik mompel een ‘hoezo?’. ‘Het is niet te geloven, werkelijk niet te geloven!’ gaat ie verder, ‘ze hebben in plaats van de afgiftedatum de vervaldatum getypt.’

Mijn ogen worden heel groot: ‘Hòe bedoelt u?’

‘Waar 2003 had moeten staan op, staat 2013. Dat klopt niet! Ik kan het voorleggen aan mijn responsable, maar in principe kunnen wij dit document niet accepteren.’

Zoals iedereen in Frankrijk met een loketfunctie bespreekt het mannetje het met een onzichtbare responsable, die natuurlijk in geen enkel geval een uitzondering maakt.

‘Het spijt me’, zegt hij, ‘het is letterlijk een verschil tussen een nul en een één, maar wij kunnen uw dossier niet in behandeling nemen. U zult eerst terug moeten gaan naar het Consulaat. Verder is uw dossier tip top, hoor.’

Een verschil tussen nul en één. In wezen verschilt de bureaucratie weinig van de wiskunde.

Ik schraap mijn papieren bij elkaar, verlaat de Préfecture, stompelend op de laklaarsjes die mijn voeten doen vlammen van de pijn. Ik vervloek het Nederlandse consulaat. Maar binnensmonds, want ik ben natuurlijk wel een net meisje. De lucht is inmiddels halfdonker en voor de zoveelste keer vandaag zak ik de metro in. Einde middag.

— ♣ —

P.S: Om toch nog een positieve noot toe te voegen aan deze bewogen middag:  ik heb toch nog enkele coquilles Saint Jacques weten te bereiden. Ha!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s